Mijn eerste verkering

“Wie vind jij het knapst?” Zo begon het op het schoolplein in groep 7. Ik was net van basisschool gewisseld en kwam in een nieuwe klas terecht.

“Wie vind jij het knapst?” Zo begon het op het schoolplein in groep 7. Ik was net van basisschool gewisseld en kwam in een nieuwe klas terecht. Het was pauze in de ochtend en ik was druk bezig met nieuwe vriendinnen maken. De meisjes kletsten in een kring, de jongens waren balletje aan het trappen onder de schuur.

“Welke jongen vind jij het knapst?” werd mij gevraagd. Er was een jongen bij wie ik een goed gevoel had. Hij had lang en donker haar en zijn naam was Rens. Toen ik hem aanwees, werd er gelijk gelachen en “nee” geroepen door de meisjes. Zij wezen mij een andere jongen aan, Evert. De populairste jongen van de klas. Blijkbaar hoorde ik hem leuk te vinden.

Ik kon mij er niet echt in vinden, maar ik wilde wel graag vriendinnetjes maken, dus ik knikte instemmend mee. Ik voelde me immers al een buitenbeentje. Niet geboren en getogen Nederlander, nieuw in de klas, en ik had moeite met zowel getallen als begrijpend lezen.

Mijn eerste dag in de klas herinner ik me nog helder. Ik zat links achterin, naast de wereldkaart die aan de muur hing. Eén voor één werden leerlingen aangewezen om een stuk voor te lezen uit het aardrijkskunde boek. De meester wees mij aan om een paragraaf hardop te lezen. Shit.

Het zweet begon uit mij te stromen en mijn hart klopte twee keer zo hard. Namelijk, in precies mijn paragraaf stond een groot getal: 165.530, en ik had geen idee hoe ik het moest uitspreken. Gelach brak uit, terwijl de meester mij een gemoedelijk knikje gaf.

Je kon me wel van de grond rapen die dag.

Al snel hadden Evert en ik verkering. Omdat ik nieuw was, was ik interessant. Na schooltijd spraken wij met onze vrienden af op zolder en lagen tegen elkaar aan. Plaagden en speelden met elkaar. Hij was mijn eerste tongzoen, al was het geen tongzoen te noemen: we waren air hockey op onze mobiele telefoon aan het spelen, waarbij we een afspraak hadden gemaakt. Als hij een goal maakte, moest hij mij kussen, en als ik een goal maakte, moest ik hem kussen. Zo ging het spelletje wel een halfuur lang door, waarbij wij om en om onze tong naar elkaar uitstaken.

Het was leuk en warm met Evert, totdat het weer omsloeg.

Onze verkering ging uit en hij begon me te pesten. Ik kan me niet veel meer van deze periode herinneren. Ik denk dat mijn systeem de overlevingsstandknop heeft ingedrukt in groep 8, maar een aantal momenten zijn me wel bijgebleven. 

Zoals toen ik Watermeisje en Vuurjongen speelde op Speeleiland.nl op de computer thuis, ik pop-upberichten op Skype ontving waarop ik vierkant werd uitgescholden. Of de uitgesproken versie hiervan die mijn oren opvingen, voordat Evert en zijn vrienden wegfietsten na school.

De meer ‘onschuldige daden’ waren bijvoorbeeld tijdens de gymles uren. Bij slagbal mikten de jongens alleen maar ballen op mij, ongeacht het spel, of mijn schoenen werden verstopt zodat ik ze na de les niet meer kon vinden.

Een naarder geval kwam boven water drijven toen mijn zus en ik aan het reflecteren waren over onze jeugd. In groep 8, toen de bel ging en de les voorbij was, stond ik op het punt om op te staan en de klas uit te lopen. Totdat ik een A4-papier ontving.

Met zwart, dikgedrukte stift staarde ik naar een tekening van mezelf, met allemaal messen die in mijn lijf waren gestoken, druipend van het rode bloed. Deze naardigheid was een zwart gat, totdat mijn zus het opbracht.

Ik zou niet weten wat er nog meer gecamoufleerd is in de diepte van de donkerte die ik voelde als twaalfjarig meisje. Ook denk ik dat dit een primaire ervaring is geweest, waarbij ik naar mijn lijf heb gesignaleerd: “Als jij je kwetsbaar en liefdevol openstelt, loop je gevaar.”

Als kind ben ik hier doorheen gekomen dankzij mijn moeder. Al mijn lunchpauzes, waarbij ik met tranen, hyperventilerend, in de auto zat te vertellen wat er die ochtend weer was gebeurd, was mijn moeder mijn liefdevolle opvang. Nu, als volwassene, terugblikkend op de heldere vlakken die ik me nog wel herinner, heb ik enorm veel bewondering voor haar.

Wat zij namelijk nooit heeft gedaan, is het groepje jongens dat mij pestte zwart maken. Met volledige erkenning en steun voor mijn verhaal, luisterde ze, gaf ze me een knuffel en adviseerde zij mij wat ik kon doen vanuit integriteit naar de ander en mezelf. Toen al, was zij een rolmodel.

Evert pestte me immers alleen maar vanuit een diepe eigen onzekerheid. Jammer dat hij mij had verkozen als bullseye op zijn dartbord.

Ik denk dat wat er gebeurd is met hem, de fundamentele laag van mijn verwachtingen en gedragingen omtrent mijn liefdesleven heeft aangetast. Hier komt een stuk verlangen uit, wat gepaard gaat met angst. Ik voel me niet veilig in verbinding, dus verstop ik me achter het verharde masker van vrijheid. Te bang om me weer volledig kwetsbaar op te stellen.

Hier in de Ashram in India, is dit boven water komen drijven. Wie had dat gedacht. En daarmee nog een aantal andere gebeurtenissen die ik nu samen herken als een patroon: het aantrekken van het glimmende harnas dat ik kies uit mijn kledingkast, elke keer als ik in verbinding stap met een ander.

Tot vandaag. Vanaf nu blijft de harnas aan zijn kapstok hangen, en pak ik de zachte en open, katoenen vest. Daar kies ik voor.



Writers note: in deze blogpost zijn alle namen veranderd om de betrokkenen anoniem te houden.